|
|
|
|
Intelligent Design, een andere kijk op de evolutie (1)
Het neodarwinisme, een materialistische evolutietheorie
door Jan Everink
augustus 2005
De thans nog steeds overheersende theorie van de evolutie is het neodarwinisme, dat in grote lijnen is gebaseerd op het werk van Charles Darwin. Volgens het darwinisme en vooral volgens het neodarwinisme kan er in de evolutie géén sprake zijn van doelgerichtheid. De hele levende natuur wordt verklaard als het product van toevallige veranderingen.
Tegenover deze opvattingen van de neodarwinisten begint thans een nieuw wetenschappelijk uitgangspunt terrein te winnen dat wordt aangeduid als intelligent design (ID). De aanhangers van deze richting wijzen erop dat door empirisch onderzoek steeds meer feiten aan het licht komen die strijdig zijn met het neodarwinisme. Ze willen dat de mogelijkheid van doelgerichte intelligentie in de evolutie niet langer wordt uitgesloten.
|
|
ID is niet de religieuze opvatting dat alle soorten in één keer kant-en-klaar door God zijn geschapen. Wanneer men vandaag de dag spreekt over intelligent design dan wordt de evolutie als zodanig in het algemeen niet bestreden. Het gaat niet om een gedetailleerde nieuwe theorie voor het ontstaan van de soorten maar om het niet bij voorbaat afwijzen van elke mogelijkheid dat in de evolutie intelligentie en bedoeling een rol hebben gespeeld. ID-wetenschappers als Michael J. Behe, Phillip E. Johnson, Jonathan Wells, Walter L. Bradley en William A. Dembski maken bezwaar tegen het thans dominerende dogmatische materialisme dat elke mogelijkheid van creatief ontwerp per se wil uitsluiten.
Intelligent design is een noodzakelijke nieuwe theorie omdat het neodarwinisme teveel in strijd is met recente empirische feiten. Het zijn de onoplosbare problemen van het neodarwinisme waardoor geleidelijk een principieel andere benadering terrein wint.Het concept van een zekere intentie en doelgerichtheid in de evolutie is overigens al ouder dan het neodarwinisme en zelfs dan het bekende boek van Darwin dat verscheen in 1859. Al in 1809 werd door Jean Baptiste Lamarck de eerste evolutietheorie gepubliceerd. Lamarck ging ervan uit dat elk organisme probeert zichzelf te verbeteren en dat bereikte verbeteringen aan volgende generaties doorgegeven kunnen worden.
Opkomst positivismeDe ID-theorie was dus in beginsel al bij Lamarck aanwezig en deze theorie is nooit helemaal weg geweest. De belangstelling voor dit concept leeft thans op omdat empirische feiten erop wijzen dat het neodarwinisme niet juist kan zijn. Bovendien is op het gebied van filosofie en wetenschap thans een verandering gaande. Het positivisme en het materialistische reductionisme staan, na twee eeuwen toonaangevend te zijn geweest, steeds meer ter discussie.
Het positivisme werd geïntroduceerd aan het begin van de 19de eeuw. Na de Franse revolutie die aan het eind van de 18de eeuw had plaatsgevonden moest de samenleving in Europa op basis van nieuwe uitgangspunten worden georganiseerd. De macht van de adel en de kerk was sterk teruggedrongen, en daarmee ook de oude filosofie. Het was de Fransman Comte die de nieuwe filosofische principes formuleerde en op schrift stelde.
Van de Verlichtingsfilosofie bleef vrijwel niets over. In de 17de en de 18de eeuw hadden de verlichtingsfilosofen geprobeerd de religie een meer rationele basis te geven dan die van de kerkelijke dogma's. Locke, Berkeley en Hume hadden zichzelf zeer essentiële vragen over het leven en het weten gesteld, en er antwoorden op getracht te geven. Tijdens de Verlichting waren er ook wel materialistische stemmen opgegaan, maar deze hadden weinig invloed gehad. Het belang van kennis over de natuur en de wereld werd wel onderkend maar nooit tot leidend principe verheven. Tot aan het begin van de 19de eeuw leefde de mens in een overwegend spiritueel georiënteerde maatschappij.
Einde van de VerlichtingHet tijdperk van de Verlichting nam een einde met Kant die het geloof weer aanwees als de enige manier om op belangrijke levensvragen een antwoord te vinden. Daarna was er in Duitsland nog wel een opleving door het werk van Fichte, Schelling en Hegel, maar de twee laatstgenoemden maakten de filosofie erg gecompliceerd en de functie ervan voor de samenleving ging vrijwel verloren.
In de negentiende eeuw bestond dus op filosofisch gebied een vacuüm. De Verlichtingsfilosofen waren er niet in geslaagd een synthese tot stand te brengen tussen wetenschap en religie en behoorden bovendien tot de oude maatschappelijke orde van vóór de Franse revolutie.De nieuwe filosofie, die tot op de dag van vandaag de toon heeft aangegeven, werd het positivisme. Deze filosofie wil zich beperken tot een methodische aanpak van het materialistische wetenschappelijke onderzoek. De wetenschap heeft uitsluitend te maken met de praktische problemen van het leven en moet zich niet bezig houden met metafysische vraagstukken. Volgens Comte is de metafysica volkomen overbodig en nutteloos.
Deze filosofie sprak aan omdat ze een afwijzing van de oude orde inhield en een praktische basis bood voor de verdere ontwikkeling van de wetenschap en de techniek. Het positivisme werd geleidelijk steeds meer geïnterpreteerd als materialisme, het uitgangspunt dat er uiteindelijk niets anders bestaat dan het materiële universum. Alleen de materiële natuur is van belang en de natuurwetenschappen moeten de basis vormen voor alle andere wetenschappen. Het materialistische reductionisme is het streven in de wetenschap om alle verschijnselen te verklaren op basis van de bestaande natuurwetten.
Het neodarwinismeHet darwinisme werd als evolutietheorie zo populair omdat het paste in de positivistische filosofie van de 19de eeuw. De reductionistische interpretatie en uitwerking van de darwinistische evolutieleer heeft vervolgens geleid tot het neodarwinisme. Essentieel in deze richting is dat er geen enkele bedoeling in de evolutionaire ontwikkeling aanwezig is. De hele evolutie is volgens de neodarwinisten gebaseerd op toeval, met name op toevallige mutaties in het DNA.
Darwin zelf was nog wel van mening dat een levend organisme zich tijdens het leven enigszins kon aanpassen aan de omgeving, en dat zulke aanpassingen konden worden doorgegeven aan de nakomelingen. De neodarwinisten stellen daarentegen dat de evolutie zich in elk stadium voltrekt op basis van de natuurwetten en het toeval. Aanpassingen zijn volgens hen uitsluitend het gevolg van toevallige mutaties in de genen. Bij de vele celdelingen die plaatsvinden gaat wel eens iets verkeerd en dan ontstaat een afwijkend gen. Soms heeft zo'n afwijking toevallig voordeel voor een organisme, en deze plant of dit dier is dan in staat beter te overleven. Er ontstaat dan een nieuw type met betere overlevingskansen, aldus de neodarwinisten.
Het neodarwinisme stelt dat er geen andere verklaring voor de evolutie nodig is dan het toeval en de natuurwetten, een standpunt dat zoals hierna zal worden toegelicht wetenschappelijk onhoudbaar is gebleken.
De
publicatie van FiLOSCOOP wordt verzorgd door Bureau Everink te Almere
Copyright © 2005 Jan Everink